Oefenen, oefenen, oefenen…

 

Op maandag 19 juni organiseerde de Museumvereniging samen met de RCE en de Reinwardt Academie de workshopdag ‘CHV en BHV voor elkaar’. Het was vooral een doe-dag. Deelnemers gingen tijdens workshops zelf aan de slag met het onderwerp CHV (en een klein beetje BHV) waarin vooral het belang van oefenen werd uitgelicht.

Als het goed is hebben alle musea een BHV-plan, dit is immers verplicht. Een CHV-plan daarentegen is niet verplicht, en ontbreekt daardoor bij veel musea. Soms hebben musea wel een (uitgebreid) plan, maar wordt er nooit mee geoefend. De rode draad van deze dag was het belang van oefenen.
Oefenen is belangrijk. Daarmee kun je het CHV-plan aan de praktijk toetsen; loopt het in de realiteit wel zoals je het op papier bedacht had? Of moet er iets worden aangepast? Een andere belangrijke reden van oefenen is dat medewerkers weten hoe ze moeten handelen wanneer zich een incident of calamiteit voordoet. Hoe meer er geoefend wordt, hoe beter mensen in staat zijn om adequaat te reageren.
Tijdens deze dag volgden de deelnemers een drietal workshops. De eerste die ik volgde was een table-top oefening van Bij een table-top oefening word een plattegrond op tafel gelegd en worden poppetjes of kaartjes ingezet die personen of gebeurtenissen representeren. In dit geval werden er kaartjes gebruikt die bezoekers voorstelden, en kaartjes waarop een calamiteit stond afgebeeld (brand, etc.). De kaartjes werden volgens een bepaald scenario op de plattegrond gelegd, waarna de deelnemers hiermee konden schuiven. Een table-top oefening werkt goed om een scenario te kunnen visualiseren en na te spelen, zonder dat je daadwerkelijk een grootschalige oefening op locatie hoeft te organiseren.

table-top

Table-top oefening museum

Bij de tweede workshop werden deelnemers uitgedaagd om zelf aan de hand van een vragenlijstje (in de trant van wie-wat-waar) een scenario te bedenken. Hiervoor kregen we slechts 5 minuten de tijd. Dat lijkt kort, maar toch kom je zo snel op heel originele ideeën. Deze scenario’s kun je vervolgens bij een oefening gebruiken.
De laatste workshop, gegeven door Margriet Oomens van de Reinwardt Academie, was geconcentreerd rondom een stel (kapotte) plastic bekertjes op de grond, met daar bovenop een teddybeer. Dit scenario was gebaseerd op een voorval uit 2010 in museum Boijmans van Beuningen, waarbij een bezoeker onwel werd en middenin een kunstwerk viel. De deelnemers kregen de rollen toegewezen van BHV’er, CHV ‘er, CHV-coördinator en BHV-coördinator. Gelukkig weten we allemaal dat in het geval van een incident of calamiteit, de veiligheid van mensen voorop staat. Door dit daadwerkelijk na te spelen, werd duidelijk waar CHV en BHV elkaar ‘bijten’ wat de veiligheid van de collectie betreft. Als de bezoeker zich gaat bewegen, kan er meer schade ontstaan aan het kunstwerk. Maar kun je het wel maken om te vragen of meneer/mevrouw nog even zou willen blijven liggen?

vazen

Bezoeker wordt onwel en valt in een kunstwerk

Deze workshops waren goede voorbeelden van hoe je kort en snel een CHV-oefening kan doen en hoe je aan originele scenario’s komt. Oefenen kan zelfs met een kop koffie in de pauze, bij wijze van spreken. Daarnaast is het natuurlijk goed om ook eens, of vaker, een grote oefening te doen, waarin je het CHV-plan toetst aan de praktijk. Dit vereist wat meer tijd en organisatie, maar het kan wel erg veel opleveren.

Handige informatie bij het opstellen van een CHV-plan is onder andere te vinden op veilig-erfgoed.nl.

Lees verder

Advertenties

Creatief met kroonsteentjes en klittenband

Als collectiebeheerder moet je vaak creatief zijn. Met tijd, geld en ruimte, maar ook met materialen. Dat ervaar ik maar weer eens tijdens de lesdag in het Tropenmuseum (onderdeel van het Nationaal Museum van Wereldculturen) in Amsterdam. Onze docent voor deze dag is Martijn de Ruijter, werkzaam als collectiebeheerder bij het museum. Hij zal ons een blik gunnen in de wondere wereld van materialen en depotsteunen.

In de ochtend hebben we op school het examen voor het maken van een depotsteun doorgenomen. We hebben met de klas al eens eerder geoefend met het maken ervan, maar op dat moment was ik nog vrijwel ongehinderd door enige kennis van verpakkingsmaterialen, dus alle informatie ga ik vandaag gulzig tot me nemen.
Er zijn allerlei redenen om een object te ondersteunen. Een steun beschermt een object onder andere tegen vervorming door de zwaartekracht. Instabiele objecten staan steviger met een steun waardoor mechanische schade door omvallen wordt voorkomen. Een steun kan een object ook beter hanteerbaar maken, of er juist voor zorgen dat een kwetsbaar object niet gehanteerd hoeft te worden bij het bekijken ervan. Een steun of verpakking is onmisbaar tijdens transport, omdat het bescherming biedt tegen bijvoorbeeld schokken en trillingen en tegen klimaatschommelingen.

img_20161013_140419964_hdr

Martijn de Ruijter laat verschillende materialen zien

Een depotsteun bestaat niet zelden uit een aantal verschillende materialen. Het verpakkingsmateriaal moet allereerst compatibel zijn met het materiaal van het object. Het moet geen stoffen uitstoten die een schadelijke reactie aangaan met het object dat je wilt beschermen. Daarom wordt vaak gebruik gemaakt van inerte materialen: materialen die geen stoffen bevatten die een reactie met andere stoffen aangaan. Daarnaast moet het materiaal overeenkomen met de kwetsbaarheid van een object. Hardere schuimsoorten kunnen bij wrijving bijvoorbeeld krassen veroorzaken op een gepolychromeerd houten oppervlak. Sommige materialen zijn meer of minder geschikt om te buigen, te lijmen of te snijden. Ook daarmee houd je rekening bij het kiezen van een materiaal.
We krijgen vandaag een stoomcursus veel voorkomende verpakkingsmaterialen. Verschillende houtsoorten, textielsoorten, papier en kunststoffen komen voorbij. Maar ook bamboe satéprikkers, gumtape, gehalveerde kroonsteentjes, acrylaatlijm, visdraad en klittenband. Er zitten ook wat zwarte schaapjes tussen, zoals een stuk eikenhout en een tekening in een mapje van Melinex waarin zich in het ontstane microklimaat azijnzuur heeft gevormd. We worden aangespoord overal even aan te voelen en te ruiken.
Nieuw voor mij is Marvelseal® 360, een zilverkleurige folie die ook wordt gebruikt in de voedingsindustrie vanwege de eigenschap dat het geen geuren doorlaat. Volgens de CAMEO materials database van het Museum of Fine Arts in Boston is het opgebouwd uit aluminiumfolie met aan beide zijden een laagje nylon met daaroverheen een laagje polyethyleen. Het materiaal is naast ‘geurdicht’ ook waterdicht, sterk en flexibel. Als je de polyethyleenlaag verwarmt kun je de verpakking ergens omheen sealen. In dit filmpje zie je hoe een laag Marvelseal heel eenvoudig met een strijkijzer om een stuk hout wordt geseald om te voorkomen dat dampen uit het hout in aanraking komen met het object.

Een algemeen bekend materiaal is Museum Art Foam (MAF®). Dit is een term die door de firma Innosell gebruikt wordt om verschillende folies en schuimsoorten van voornamelijk polyethyleen aan te duiden die geschikt zijn voor het verpakken van museale objecten. Onder de MAF-producten bevindt zich MAF 020; een dunne schuimfolie met een glad oppervlak en gesloten celstructuur. Dit wordt aanbevolen als een materiaal dat geschikt is als eerste verpakkingslaag die bescherming geeft tegen krassen en stoten. Museum Tyvek MAF 16221 E valt ook onder de MAF producten en wordt omschreven als een sterk, waterafstotend en ventilerend materiaal. Speciaal voor muntencollecties is er MAF Muntenschuim waarin de vormen van munten al zijn uitgespaard.

Omdat niet alle objecten qua afmetingen zo uniform zijn als muntenverzamelingen, kun je ook verschillende soorten MAF® en Ethafoam® gebruiken om zelf een steun met passende uitsparingen te maken. Zoals ik heb ondervonden, kan het nog best lastig zijn om een nette, strakke vorm in schuim uit te snijden. Je kunt ook creatieve oplossingen bedenken. Als je een voorwerp met een bolle onderzijde wilt ondersteunen kun je in plaats van een concave (holle) vorm uit te snijden ook een ondersteuning maken door enkele wigvormige stukjes schuim op een plaatje te bevestigen, zoals op de afbeelding hieronder is te zien.
De lijst met geschikte materialen is lang. Ik heb de hele middag druk meegeschreven en ik weet nu al dat ik mijn lijst de komende tijd veelvuldig zal raadplegen. Ik hoop het ook snel in de praktijk te kunnen toepassen, want ik heb het gevoel dat dit een van mijn favoriete onderdelen gaat worden van het beroep van Collectiebeheerder.

img_20161013_154851500

Wigjes van schuim op een plaatje van foamboard ter ondersteuning van de bolle vorm

Interieurplatform ‘Kwaliteit in het interieur – kwaliteit in uitvoering’

Vrijdag 18 september vond het negende Interieurplatform plaats bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Het thema van deze editie: ‘Kwaliteit in het interieur – kwaliteit in uitvoering’ bood een interessant uitgangspunt voor een vijftal korte lezingen.

Ik heb met plezier geluisterd naar o.a. het verhaal van restauratiearchitect Frederik Franken die vertelde over de uitdagingen tijdens zijn werk voor het museum Ons’ Lieve Heer op Solder. Welke afwegingen hebben een rol gespeeld bij de restauratie van de katholieke schuilkerk? Hoe integreer je verlichting en nooduitgangbordjes in een historisch interieur? Hoe leg je bedrading aan zonder het monument onherroepelijk te beschadigen?



Het uitgangspunt hierbij was dat het aanbrengen van installaties niet mag leiden tot permanente beschadigingen van het gebouw (wat in dit geval het belangrijkste onderdeel is van de collectie). Door creatieve en vindingrijke oplossingen is bereikt dat de bedrading en opdekleidingen zo min mogelijk zichtbaar zijn. Er is gebruik gemaakt van oude freesgaten, en minder storende elementen zoals beugeltjes van metaal in plaats van plastic drukstrips.

Het kwam ook wel goed uit dat de vloerplanken niet meer stevig genoeg waren om de bezoekers te dragen. Er werden platen op gelegd die het gewicht kunnen verdelen, en daarop werden biesmatten gelegd (gangbare vloerbedekking in de tijd waarnaar bij de restauratie werd teruggegrepen). Hierdoor ontstond er een mogelijkheid om de nieuwe bedrading netjes weg te werken in een smal gootje aan de rand van de vloer.

Ook ten behoeve van het klimaat is één en ander aangepast. Aan de overkant van de straat is een entree gebouwd waar de bezoekers worden ‘geneutraliseerd’. Dat wil zeggen, ontdaan van natte jassen en schoenen. De bezoekers krijgen sloffen aangeboden, waarmee ze het museum mogen betreden. Dit is een belangrijke maatregel om de slijtage van de houten vloeren tegen te gaan.

Aan het klimaat in het museum zijn een aantal eisen gesteld. In de winter is de toegestane temperatuur 16 graden Celsius bij een RH van 40%, terwijl in de zomer temperaturen van maximaal 24 graden en een luchtvochtigheid van 70% zijn toegestaan, met een maximale duur van 10 dagen.

Om de nieuwe entree met het oude museum te verbinden is er gekozen om een ondergrondse doorgang te maken. Leuk detail is dat hierbij een beerput is ontdekt, waarvan ik de dag ervoor in het Allard Pierson museum het zeefsel heb kunnen bekijken.

interieurplatform 18 september 2015

Kilometers geschiedenis

Donderdag 17 september kregen we een kijkje achter de schermen bij het Stadsarchief Amsterdam en de Bijzondere Collecties van de UvA. Verschillende medewerkers leidden ons door de quarantaineruimten, de depots, de studiezalen en restauratieateliers.

Nieuw materiaal wordt bij binnenkomst eerst in quarantaine geplaatst. Daar wordt het gecontroleerd op schimmels en ongedierte (met name papiervisjes). Voor zover het kan, wordt het materiaal hier schoongemaakt, voordat het een plaats krijgt in het depot.
Omdat er zuinig moet worden omgegaan met de ruimte, worden de documenten op formaat gerangschikt, in plaats van op onderwerp. Alsnog beslaan de rijen van het Stadsarchief zo’n 50 kilometer lengte aan planken, en de Bijzondere Collecties van de UvA zelfs 150.

rolkasten

Leuk om te zien was dat er veel variatie is in het type dozen. Bij het Stadsarchief gebruiken ze verschillende formaten liggende dozen voor prenten, maar ook verschillende dozen voor opgerolde kaarten. Bij de Bijzondere Collecties worden kwetsbare boeken voorzien van een eigen cassette op maat, zodat het boek in zijn eigen verpakking kan uitzetten of krimpen en daarbij geen druk uitoefent op boeken ernaast.

casette

Om zo goed mogelijk te worden geconserveerd vragen verschillende informatiedragers om verschillende bewaarcondities. Dit hebben we aan den lijve ondervonden in het depot voor filmmateriaal en fotonegatieven. De ideale temperatuur voor het meeste papier 18 graden Celsius bij een RH waarde van 50%, terwijl de temperatuur in het ‘fotodepot’ niet hoger was dan 5 graden. Best koud, zo zonder jas!

In de restauratieateliers worden boeken gerepareerd waar nodig. Reparaties worden vooral uitgevoerd wanneer een beschadiging kan verergeren. Bijvoorbeeld als er een scheur zit in een prent of bouwtekening, of als de rug van een boek loszit. Bij de Bijzondere Collecties werken de restauratiemedewerkers ook aan tentoonstellingen. Zo maken ze voor elk boek een afzonderlijke standaard die voorkomen dat een boek dat strak in zijn band zit te ver open komt te liggen.

boekstandaard

Voor studenten, onderzoekers en particulieren bestaat de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen om objecten te mogen inzien. De meeste objecten zijn opvraagbaar en mogen in de studiezaal worden bestudeerd, maar er zijn ook materialen die je alleen te zien krijgt als je een heel goede reden hebt. Anders moet je het doen met het digitale exemplaar.

In de archieven speelt digitalisering een grote rol. De vraag die in me opkwam is: wat bewaar je wel en wat niet? Kun je iets na digitalisering zomaar weggooien? Misschien vinden wij documenten uit de jaren ’80 van de vorige eeuw niet zo bijzonder, maar hoe kijken we daar over pakweg vijftig jaar tegenaan? Als je de originele drager weggooit, heb je nog wel het beeld of de tekst, maar kun je nooit meer het fysieke object onderzoeken.

Na afloop bracht onze groep een bezoek aan het Allard Piersonmuseum. De opdracht was om te letten op de manier waarop voorwerpen worden tentoongesteld. Geen onderdeel van de tentoonstelling, maar wel erg interessant, was de demonstratie van een aantal vrijwilligers die zeefsel uit een beerput uit de 18e eeuw uitplozen. Ze lieten ons enthousiast hun selectie zien met o.a. vissenkieuwen, olijven-, druiven-, pruimenpitten, peperkorrels, notenschillen, botresten en zelfs urinekristrallen! Peperkorrels en olijvenpitten komen van ver (dus kostbaar) en duiden erop dat de beerput hoorde bij een welgestelde familie.

urinekristallen